Tuin 2

Hieronder de plattegrond van het tweede deel van onze historische tuin

Kwakeltje
De ijzeren watertoren
A-kas
ketelhuis
Kniekas
ramenwarenhuis
platglas
Lorrie


Het Kwakeltje

Via het kwakeltje, een bruggetje waarvan de planken gelicht konden worden om een schuit doorgang te verlenen, komen we op het tweede gedeelte van de historische tuin. Langs de slootkant staan pruimenbomen, de zogenaamde Tonneboers, een pruimensoort die vroeger in het Westland veel voorkwam. Deze pruimen stonden op de tuinen vaak langs de slootkanten en dienden onder andere als windkering. In het voorjaar was het een prachtig gezicht als ze in bloei stonden. Het was een uitstekende fabriekspruim, die groen geplukt werd en in grote hoeveelheden op aparte veilingdagen verhandeld werd. Van deze pruimen kan men een heerlijke jam maken met een speciaal aroma.


De ijzeren watertoren

De eerste generatie waterpompen konden in het begin van de 20ste eeuw niet vrij draaien. Om de gewassen toch veilig te kunnen begieten, werd er een watertoren gebouwd met een leidingnet door de tuin. Het bassin van de watertoren kon met de eerste waterpompen gevuld worden, zodat men een constante druk op het leidingnet had en overal de planten kon begieten. Het bijbehorende motorhok stond onder of vlak naast de watertoren.

De wandelroute loopt nu langs het perenlaantje. Daar staan oude hoogstamperen zoals de Juttepeer, Kleipeer en Trosjespeer die vroeger in het Westland veel voorkwamen.

  • Alpha
  • Megan
  • Nancy
  • Missy

A kas

Soms wordt de mening geuit, dat de diverse kastypen zich na elkaar zouden hebben ontwikkeld. Dat is niet het geval geweest; nog voordat de ontwikkeling van de verschillende muurkassen teneinde was, ontstonden de A-kas en de kniekas.

Als voet werd aanvankelijk een gemetseld, later een betonnen, muurtje gebruikt. Een A-kas leent zich uitstekend voor de teelt van perziken en pruimen, in waaiervorm langs de glaswanden geleid. Een kas met roze-bloeiende perziken of wit-bloeiende pruimen is in de eerst helft van maart een lust voor het oog.

De A-kas leende zich minder goed voor de teelt van druiven; onderaan ontbrak de nodige ruimte voor het krenten van de druiven (uitdunnen d.m.v. het verwijderen van te veel en te kleine bessen in de tros, waardoor de overgebleven bessen groter en zoeter worden).


ketelhuis

Het oudste verwarmingsketeltype bestaat uit een dubbelwandige ronde kachel met een buitenwand van koper (dit model is te zien in het museum). Deze kachel werd van boven met brandstof (bijvoorbeeld cokes) gevuld, terwijl de as van onder verwijderd kon worden. De ketel in het ketelhuis is een ledenketel. De ketels werden geplaatst in een diepe kelder. Dat was noodzakelijk om door een vrij groot niveauverschil het afgekoelde water naar de ketel terug te voeren, het zogenaamde thermosyphonsysteem. Een cokesketel moest, afhankelijk van het type en het weer, om de paar uur bijgevuld worden.In de nachtelijke uren verrichtte een nachtstoker dit karwei op een aantal dicht bij elkaar liggende bedrijven.


Kniekas

In de kniekas staan blauwe en witte druiven. Van de witte soorten zijn dat Muscaat van Alexandriä en Golden Champion, waarvan de laatste kunstmatig bestoven dient te worden. Als blauwe druivensoort vinden we hier de Black Alicante.
Jarenlang is het vermeende voordeel van een kas met een houten of ijzeren dek een twistpunt geweest. Het grotere warmteverlies van een ijzeren dek zou opwegen tegen de winst aan licht. Tegenwoordig is bekend dat de factor licht belangrijker is en dat warmte een dure factor is. Binnen het type ijzeren kniekas waren nog de variaties van een houten of een ijzeren onderbouw. Druivenkassen werden in de vroege voorjaarsmaanden wel gebruikt voor de teelt van verschillende soorten groenten en later ook wel bloemen.
Hoewel de druiven er niet op vooruit gingen, was de geldelijke opbrengst na een lange winterperiode niet te versmaden. Het vertragende effect op uitlopen en bloei van de druif, waardoor de werkzaamheden van het krenten gespreid konden worden, was een niet onbelangrijk gevolg. Bloemkool, al voor de winter geplant, spinazie, raapstelen, radijs, andijvie, sla, enzovoort, al dan niet met elkaar gecombineerd, brachten een aardig 'centje' op. Postelein kon zelfs meerdere malen geteeld worden omdat dat gewas, bij gunstige omstandigheden, na drie weken oogstbaar is. De teelt van bloemen dateert van de twintiger jaren. Tuinders met kinderrijke gezinnen waagden zich aan de teelt van lathyrus, twee rijen langs het middenpad van de kas.Andere teelten waren: winterviolieren, irissen, anemonen, tulpen e.d.

Aan de smalle ruimten tussen de kassen zijn we stilzwijgend voorbijgegaan. Ook hier werd elke vierkante meter benut voor het telen van aardappelen of andere groenten. Hierbij moest er wel op gelet worden, dat het gewas een niet te zware belasting vormde voor de wortels van de druivenbomen, die hier hun water en een groot deel van hun voedsel zochten.

Een heel apart geval was de teelt van biezen tussen de kassen. Na de bloei werden de biezen afgesneden, gedroogd en bewaard tot de tijd van het opbinden van de perziken en pruimen in de wintermaanden of het aanbinden van druiven in de maand mei weer aangebroken was. Voor het gebruik werden de gedroogde biezen eerst enige tijd in het water gelegd om ze weer soepel te maken. Eigen geteelde biezen waren dus wel bruikbaar, maar de voorkeur ging uit naar biezen, afkomstig van brakke gronden; deze waren van een betere kwaliteit.


Ramen warenhuis

Een warenhuis is eigenlijk platglas op poten. Maar dan wel met vele voordelen, vergeleken met platglas. Men kon altijd binnen werken, het optillen van de zware eenruiters en het op de knieën en diep gebukt werken was voorbij; overdag werd er door de grotere ruimte veel meer zonnewarmte verzameld.

De naam warenhuis zou samenhangen met de bouw van de winkel 'Het Groot Warenhuis' met een glazen dak in de jaren 1905/1906 te Den Haag. Een andere verklaring is, dat men allerlei groentegewassen (waren) daarin kon verbouwen. Bij de warenhuizen kon men twee soorten onderbouw aantreffen, een houten of een ijzeren. Beide hadden voor- en nadelen, dus ook voor- en tegenstanders. Het warenhuis was gedekt met eenruiters (grote losse ramen met een ruit). Oorspronkelijk werden de eenruiters ieder najaar van de warenhuizen afgenomen. De ramen werden dan in de wintermaanden gebruikt voor de teelt van sla of peen of een combinatie daarvan op platglasrijen. In het voorjaar werd het glas dan weer 'omhoog' gebracht voor de tomatenteelt. Men meende door de winter te laten inwerken op de grond van het warenhuis, deze gezond te kunnen houden. De praktijk heeft echter uitgewezen dat het uitstel van executie was. Het opsteken van de ramen was bovendien een zwaar en lang niet altijd ongevaarlijk karwei.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is men in de omgeving van Venlo door het nijpende gebrek aan hout overgegaan op een ander systeem. In plaats van lijsten werden er roeden gebruikt voor het plaatsen van het glazen dak. Toen ontstond het zogenaamde Venlowarenhuis. Voordelen waren: minder schaduw gevende delen door het gebruik van een enkele roe in plaats van een dubbele lijst, minder lekkage en minder warmteverlies. Warenhuizen kunnen licht en zwaar verwarmd worden door een vast verwarmingssysteem -ketel en buizen met warm water of stoom-, maar ook door verplaatsbare heteluchtkachels.


platglas

Schietramen werden ook wel benut als broeiraam. In later tijd werden de grote,zware broeiramen vervangen door de veel gemakkelijker hanteerbare eenruiters, zoals de naam zegt: een grote ruit in een houten lijst.

Er zijn twee mogelijkheden om platglas te benutten: de oudste vorm is ongetwijfeld de enkele bak, later is de dubbele bak in gebruik gekomen. Een enkele bak werd aangelegd in de richting oost-west, waardoor zoveel mogelijk profijt getrokken werd van de zonnestand voor en na het middaguur. Een dubbele bak had aan de ene kant de ochtendzon en aan de andere zijde de middagzon.

Het platglas rustte op een isolerende aarden wal, die lijnrecht moest worden uitgezet. Op de aarden wal kwam een balk, de zogenaamde badding, waarop de ramen met hun onderdorpel rustten. Bovenaan werden bij een dubbele bak de ramen twee aan twee vastgezet met een ijzerdraadje, dat door twee krammen werd gehaald,soms ook door een kram en een ring. Daardoor was er weinig speling bij storm en ook als men bij winderig weer onder de ramen moest werken, die dan door een opzethout of een opzetijzer omhoog gehouden werden. Aan de ring mocht het raam niet opgetild worden, hoogstens zoveel dat de hand eronder gestoken kon worden om hem verder op te tillen; onnodige glasbreuk werd daarmee voorkomen. Onderaan werden de ramen vastgezet met stormpennen of een steek zand.

Komkommerrijen werden in de wintermaanden en de vroege voorjaarsmaanden al vrij vroeg in de namiddag afgedekt door het uitrollen van de rietmatten. Men poogde de zonnewarmte in de rij vast te houden,men 'dekte de zon in'. Van de warmte van de broeiveuren ging zo ook minder verloren. 'Luchten' gebeurde met blokjes, gezaagd van oude raamdrempels. De drie verschillende afmetingen van het blokje werden benut voor het meer of minder open zetten van de ramen. Behalve voor de uitermate belangrijke komkommerteelt werd platglas ook benut voor de teelt van verschillende soorten groenten, zoals sla, andijvie, spinazie, postelein,radijs, bloemkool, suikerboontjes, meloenen, enzovoorts; soms zelfs gecombineerd.


Lorrie

Vooral toen de bedrijven groter werden en meer in het boerenland werden aangelegd waar geen vaarsloten waren, ging men er op veel bedrijven toe over om rails aan te leggen met een 'lorrie' daarop. De spoorafstand was in verschillende breedten, maar wel altijd smalspoor. Op de Historische Tuin bedraagt de spoorbreedte 73 centimeter.De oogst werd vanuit het warenhuis direct met de lorrie naar de schuur gebracht om gesorteerd te worden. Het vervoer van bijvoorbeeld rotte mest die op de tuin gebracht werd ging ook per lorrie.