Start

Museum

Rondleiding Museum 

Historische Tuin

Informatie centrum

Bibliotheek

Blad Streekhistorie

Collectie_ansichtkaarten

Winkel

Tentoonstelling             

Nieuws

Links

Tweede tuin

 

Via het kwakeltje komen we op het tweede gedeelte van de historische tuin. Langs de slootkant staan pruimenbomen, de zogenaamde Tonneboers, die veel voorkwamen in het Westland en gebruikt werden om jam van te maken. Verder staat er nog een rij hoogstam perenbomen




IJzeren watertoren

De meeste motoren konden in het begin van deze eeuw niet vrij draaien, niet 'free-wheelen', als het lange en dunne buizennet gevuld was. Met zo'n watervoorraad op die hoogte van circa 7 meter was het ook niet noodzakelijk om telkens de motor aan te zetten.

De geklonken ijzeren reservoirs stonden aanvankelijk op een houten, later een ijzeren stellage.
Van tijd tot tijd kregen de reservoirs een behandeling met menie of teer, zowel aan de buiten- als binnenkant.
Het bijbehorende motorhok met een vloeroppervlak van ongeveer 3 bij 2 meter en een hoogte van 1,85/2,10 meter, stond onder of vlak naast de watertoren. De wanden van dit hok waren van gepotdekseld hout en voorzien van een bedekking van dakleer. Voorzover bij schuur, ketelhuis en watertoren ruimte over was, werd die benut voor het telen van biezen; ook stonden er wel morellenbomen. Vaak hadden de kinderen van de tuinder daar hun eigen tuintje: jong geleerd is oud gedaan.


Bollenhoek

In het Westland was vroeger een niet te verwaarlozen areaal beplant met bloembollen, vooral tulpen. De geestgronden achter de duinen waren hiertoe zeer geschikt. Bij deze teelt was het om de bollen te doen, zodat met recht gesproken kan worden van bloembollenteelt, wel te onderscheiden van bolbloementeelt, waarbij het om de bloem te doen is. Er is dus ruimte opgenomen voor een bescheiden vak dat met het oog op de noodzakelijke teeltwisseling telkens een andere plaats krijgt toegewezen.


A-kas

Soms wordt de mening geuit, dat de diverse kastypen zich na elkaar zouden hebben ontwikkeld. Dat is niet het geval geweest; nog voordat de ontwikkeling van de verschillende muurkassen teneinde was, ontstonden de A-kas en de kniekas. Als voet werd aanvankelijk een gemetseld, later een betonnen, muurtje gebruikt. Een A-kas leent zich uitstekend voor de teelt van perziken en pruimen, in waaiervorm langs de glaswanden geleid. Een kas met roze-bloeiende perziken of wit-bloeiende pruimen is in de eerst helft van maart een lust voor het oog.

De A-kas leende zich minder goed voor de teelt van druiven; onderaan ontbrak de nodige ruimte voor het krenten van de druiven (uitdunnen d.m.v. het verwijderen van te veel en te kleine bessen in de tros, waardoor de overgebleven bessen groter en zoeter worden).


IJzeren kniekas

In de tachtiger jaren van de 19e eeuw zijn enkele Poeldijkse tuinders, vergezeld van smid Grimbergen, een kijkje gaan nemen in Hoeylaart om te zien, hoe daar in Belgi‰ de dubbelzijdige kas werd gebouwd. Deze kas met zijn verticaal staande schietruiten, dat zijn de twee onderste ruiten, was ongeschikt voor de teelt van druiven. Dit euvel werd verholpen door het schuiner plaatsen van de beide onderste ruiten, waardoor de bekende Westlandse kniekas of serre ontstond.

Door het ontbreken van een coöperatief landbouwkrediet en het gemis aan voldoende eigen middelen, waren er maar weinig tuinders die konden overgaan tot de bouw van deze ideale kniekas. De meesten behielpen zich met de veel goedkopere muurkasjes.
In de kniekas staan blauwe en witte druiven. Van de witte soorten zijn dat Muscaat van Alexandriëen Golden Champion, waarvan de laatste kunstmatig bestoven dient te worden. Als blauwe druivensoort vinden we hier de Black Alicante.

Jarenlang is het vermeende voordeel van een kas met een houten of ijzeren dek een twistpunt geweest. Het grotere warmteverlies van een ijzeren dek zou opwegen tegen de winst aan licht. Tegenwoordig is bekend dat de factor licht belangrijker is en dat warmte een dure factor is. Binnen het type ijzeren kniekas waren nog de variaties van een houten of een ijzeren onderbouw.

Druivenkassen werden in de vroege voorjaarsmaanden wel gebruikt voor de teelt van verschillende soorten groenten en later ook wel bloemen. Hoewel de druiven er niet op vooruit gingen, was de geldelijke opbrengst na een lange winterperiode niet te versmaden. Het vertragende effect op uitlopen en bloei van de druif, waardoor de werkzaamheden van het krenten gespreid konden worden, was een niet onbelangrijk gevolg. Bloemkool, al voor de winter geplant, spinazie, raapstelen, radijs, andijvie, sla, enzovoort, al dan niet met elkaar gecombineerd, brachten een aardig 'centje' op. Postelein kon zelfs meerdere malen geteeld worden omdat dat gewas, bij gunstige omstandigheden, na drie weken oogstbaar is. De teelt van bloemen dateert van de twintiger jaren. Tuinders met kinderrijke gezinnen waagden zich aan de teelt van lathyrus, twee rijen langs het middenpad van de kas. Andere teelten waren: winterviolieren, irissen, anemonen, tulpen e.d.

Aan de smalle ruimten tussen de kassen zijn we stilzwijgend voorbijgegaan. Ook hier werd elke vierkante meter benut voor het telen van aardappelen of andere groenten. Hierbij moest er wel op gelet worden, dat het gewas een niet te zware belasting vormde voor de wortels van de druivenbomen, die hier hun water en een groot deel van hun voedsel zochten.
Een heel apart geval was de teelt van biezen tussen de kassen. Na de bloei werden de biezen afgesneden, gedroogd en bewaard tot de tijd van het opbinden van de perziken en pruimen in de wintermaanden of het aanbinden van druiven in de maand mei weer aangebroken was. Voor het gebruik werden de gedroogde biezen eerst enige tijd in het water gelegd om ze weer soepel te maken. Eigen geteelde biezen waren dus wel bruikbaar, maar de voorkeur ging uit naar biezen, afkomstig van brakke gronden; deze waren van een betere kwaliteit.


Ketelhuis

Het oudste verwarmingsketeltype bestaat uit een dubbelwandige ronde kachel met een buitenwand van koper (dit model is te zien in het museum). Deze kachel werd van boven met brandstof (bijvoorbeeld cokes) gevuld, terwijl de as van onder verwijderd kon worden.
De ketel in het ketelhuis is een ledenketel. De ketels werden geplaatst in een diepe kelder. Dat was noodzakelijk om door een vrij groot niveauverschil het afgekoelde water naar de ketel terug te voeren, het zogenaamde thermosyphonsysteem. Een cokesketel moest, afhankelijk van het type en het weer, om de paar uur bijgevuld worden. In de nachtelijke uren verrichtte een nachtstoker dit karwei op een aantal dicht bij elkaar liggende bedrijven.


Platglas.

Schietramen werden ook wel benut als broeiraam. In later tijd werden de grote, zware broeiramen vervangen door de veel gemakkelijker hanteerbare eenruiters, zoals de naam zegt: een grote ruit in een houten lijst. histuindahlias2.jpg (91105 bytes)

Er zijn twee mogelijkheden om platglas te benutten: de oudste vorm is ongetwijfeld de enkele bak, later is de dubbele bak in gebruik gekomen. Een enkele bak werd aangelegd in de richting oost-west, waardoor zoveel mogelijk profijt getrokken werd van de zonnestand voor en na het middaguur. Een dubbele bak had aan de ene kant de ochtendzon en aan de andere zijde de middagzon, waarvoor hij noord-zuid moest liggen. Hetzelfde principe werd toegepast bij de enkelzijdige (muur)kassen en de dubbelzijdige kassen of serres.

Het platglas rustte op een isolerende aarden wal, die lijnrecht moest worden uitgezet. Op de aarden wal kwam een balk, de zogenaamde badding, waarop de ramen met hun onderdorpel rustten. Bovenaan werden bij een dubbele bak de ramen twee aan twee vastgezet met een ijzerdraadje, dat door twee krammen werd gehaald, soms ook door een kram en een ring. Daardoor was er weinig speling bij storm en ook als men bij winderig weer onder de ramen moest werken, die dan door een opzethout of een opzetijzer omhoog gehouden werden. Aan de ring mocht het raam niet opgetild worden, hoogstens zoveel dat de hand eronder gestoken kon worden om hem verder op te tillen; onnodige glasbreuk werd daarmee voorkomen. Onderaan werden de ramen vastgezet met stormpennen of een steek zand.
Komkommerrijen werden in de wintermaanden en de vroege voorjaarsmaanden al vrij vroeg in de namiddag afgedekt door het uitrollen van de rietmatten. Men poogde de zonnewarmte in de rij vast te houden, men 'dekte de zon in'. Van de warmte van de broeiveuren ging zo ook minder verloren. 'Luchten' gebeurde met blokjes, gezaagd van oude raamdrempels. De drie verschillende afmetingen van het blokje werden benut voor het meer of minder open zetten van de ramen. Behalve voor de uitermate belangrijke komkommerteelt werd platglas ook benut voor de teelt van verschillende soorten groenten, zoals sla, andijvie, spinazie, postelein, radijs, bloemkool, suikerboontjes, meloenen, enzovoorts; soms zelfs gecombineerd.

Werden de ramen weggenomen vóór de oogsttijd was aangebroken, dan sprak men bijvoorbeeld van 'gelichte sla'. Het versjouwen van de ramen was een zwaar karwei, ook als men de beschikking had over een goed in de hand liggende ramenwagen of berrie. De watervoorziening van platglasteelten, met name van komkommer en meloenen, was een zeer arbeidsintensieve zaak. 'Met de hand' (met behulp van rood-gemeniede platte zinken gieters), werd het snelgroeiende gewas van water voorzien.
Om het water uit de sloot te kunnen halen, werd gebruik gemaakt van een 'gietgang', een 5 meter lange plank die over de sloot werd gelegd.

Westlands warenhuis

Een warenhuis is eigenlijk platglas op poten. Maar dan wel met vele voordelen, vergeleken met platglas. Men kon altijd binnen werken, het optillen van de zware eenruiters en het op de knieën en diep gebukt werken was voorbij; overdag werd er door de grotere ruimte veel meer zonnewarmte verzameld.
De naam warenhuis zou samenhangen met de bouw van de winkel 'Het Groot Warenhuis' met een glazen dak in de jaren 1905/1906 te Den Haag. Een andere verklaring is, dat men allerlei groentegewassen (waren) daarin kon verbouwen.
Bij de warenhuizen kon men twee soorten onderbouw aantreffen, een houten of een ijzeren. Beide hadden voor- en nadelen, dus ook voor- en tegenstanders. Het warenhuis was gedekt met eenruiters.
Oorspronkelijk werden ieder najaar de eenruiters van de warenhuizen afgenomen. De ramen werden dan gedurende de wintermaanden gebruikt voor de teelt van sla of peen of een combinatie daarvan op platglasrijen. In het voorjaar werd het glas dan weer 'omhoog' gebracht voor de tomatenteelt. Men meende door de winter te laten inwerken op de grond van het warenhuis, deze gezond te kunnen houden. De praktijk heeft echter uitgewezen dat het uitstel van executie was. Het opsteken van de ramen was bovendien een zwaar en lang niet altijd ongevaarlijk karwei.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is men in de omgeving van Venlo door het nijpende gebrek aan hout overgegaan op een ander systeem. In plaats van lijsten werden er roeden gebruikt voor het plaatsen van het glazen dak. Voordelen waren: minder schaduw gevende delen door het gebruik van een enkele roe in plaats van een dubbele lijst, minder lekkage en minder warmteverlies.
Warenhuizen kunnen licht en zwaar verwarmd worden door een vast verwarmingssysteem -ketel en buizen met warm water of stoom-, maar ook door verplaatsbare heteluchtkachels.


Lorrie

Vooral toen de bedrijven groter werden en meer in het boerenland werden aangelegd waar geen vaarsloten waren, ging men er op veel bedrijven toe over om rails aan te leggen met een 'lorrie' daarop. De spoorafstand was in verschillende breedten, maar wel altijd smalspoor. Op de Historische Tuin bedraagt de spoorbreedte 73 centimeter.
De oogst werd vanuit het warenhuis direct met de lorrie naar de schuur gebracht om gesorteerd te worden. Het vervoer van bijvoorbeeld rotte mest die op de tuin gebracht werd ging ook per lorrie.