Geschiedenis van het Westland

Onze tentoonstelling beslaat een tijdspanne van de gemeente Westland zoals we die nu kennen, hieronder kunt u de verschillende fases bekijken.

Prehistorie:

Zo rond 10.000 v. Chr. laten we de geschiedenis van ons gebied aanvangen. Tijdens de laatste ijstijd trokken er nomaden rond die leefden van de jacht en het verzamelen van vruchten. Wanneer de temperatuur stijgt verdwijnen de ijsmassa's en ontstaat de Noordzee. De kustzone wordt een drassig gebied, met aan de zeezijde een natuurlijk gevormde duinstrook. In het duingebied ontstaat er een situatie die permanente bewoning mogelijk maakt. De oudste bewoningssporen in het Westland zijn aangetroffen in Wateringen en Schipluiden, op oude duinen, die dateren van 3700 v. Chr. In Monster zijn in voormalig duingebied, op het Geestje, bewoningssporen gevonden uit 2200 v. Chr.

Romeinse Tijd:

Vlak voor het begin van onze jaartelling verschijnen de Romeinen in ons land. De noordelijke grens van het Romeinse Rijk werd gevormd door de rivier de Rijn. Op regelmatige afstand bouwden de Romeinen langs de Rijn legerplaatsen en wachtposten. Om de troepen te voorzien van voedsel kwamen landbouw en veeteelt in het Westland tot ontwikkeling. De grote hoeveelheid archeologische vondsten uit deze periode is een bewijs van de economische bloei die het Westland in die periode doormaakte. In Naaldwijk bevond zich waarschijnlijk een vlootbasis en een grote nederzetting, die door een weg en een kanaal(de gracht van Corbulo), met Forum Hadriani (Voorburg) verbonden waren.

Vroege Middeleeuwen:

Wanneer de Romeinen wegtrekken uit ons land ontstaat er een wat onduidelijke situatie. Archeologische sporen uit deze periode zijn zeer gering. Alleen in Naaldwijk, op de Hoogwerf en in het Monsterse duingebied lijkt er sprake te zijn van continue bewoning. De eerste dorpen die in de middeleeuwen vermeld worden zijn Monster, Holtsele (Honselersdijk/Naaldwijk) en Maasland. De oudste vermeldingen van de meeste andere Westlandse dorpen dateren pas vanaf de 12de eeuw.

Westland:

Het Westland is een streek in Zuid-Holland, die ligt ten zuidwesten van Den Haag en Delft, ingeklemd tussen de Noordzee en de Nieuwe Waterweg. De naam is afgeleid van de Westambachten van het waterschap het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Westland in zijn huidige vorm is tot stand gekomen vanaf de 12de eeuw. De landbouw was toen het belangrijkste middel van bestaan, maar vanaf de 17de eeuw begint de tuinbouw steeds belangrijker te worden. Vanaf de 19de eeuw is de tuinbouw het belangrijkste middel van bestaan. In de eeuwen die volgen zal het Westland zich ontwikkelen tot het belangrijkste (glas)tuinbouwgebied ter wereld.

Hoogheemraadschap Delfland:

Door het stijgen van de zeespiegel en het inklinken van de bodem door het steeds intensiever ontwateren van de landbouwgronden boden de bestaande woonplaatsen niet meer voldoende bescherming tegen de zee en de hoge waterstand van de rivieren. Nadat er in de 12de eeuw verschillende grote overstromingsrampen hebben plaatsgevonden begint men de strijd tegen het water en de aanleg van dijken in een groter verband aan te pakken. In eerste instantie onder leiding van de graaf van Holland, maar om dit structureel te regelen werd in de 13de eeuw het Hoogheemraadschap Delfland opgericht. In de 16de eeuw kreeg dit waterschap ook de zorg over het duingebied als zeewering.

Meer informatie.

Kastelen:

In het Westland waren in de Middeleeuwen tientallen kastelen. Dit waren de woonhuizen van adellijke personen, die zo gebouwd waren dat ze goed te verdedigen waren. Het kasteel bestond meestal uit een woontoren met dikke, gemetselde muren en diverse dienstgebouwen. Het kasteelcomplex was omgeven door een gracht, wat extra bescherming bood tegen aanvallen. Bij gevaar trok men zich terug in de woontoren (donjon). De adellijke families hadden hun landgoed in leen gekregen van de landsheer, de graaf van Holland. In ruil hiervoor moesten zij belasting betalen aan de graaf en militaire diensten voor hem verrichten. In de 14de eeuw waren verschillende adellijke families zo machtig geworden, dat zij in opstand kwamen tegen de graaf. Deze burgeroorlog werd de Hoekse en Kabeljauwse twisten genoemd. Kasteel Polanen in Monster is tijdens deze burgeroorlog in 1351 door troepen van de graaf belegerd en beschoten met een blijde. Na twee weken geven de verdedigers zich over, waarna het kasteel werd verwoest.

Reformatie/Schuilkerken:

In de 16de eeuw ontstaan religieuze hervormingsbewegingen (de Reformatie) in de Nederlanden. Die, samen met onvrede over veranderingen in het belastingstelsel, leiden tot de tachtigjarige oorlog. De Noordelijke Nederlanden wisten zich onafhankelijk te maken van het centrale gezag in Spanje, waarna het protestantisme de officiële religie werd. Het werd katholieken verboden om naar de kerk te gaan. Rondreizende priesters droegen in het geheim missen op in afgelegen boerderijen, die werden dan schuilkerken.In 1647 kreeg het Westland weer een eigen pastoor, Franciscus Verburch. Hij wordt ook wel de 'druivenpastoor' genoemd, omdat hij, volgens overlevering, op zijn reizen langs de verschillende schuilkerken de druiventeelt in het Westland ingevoerd zou hebben. Hier is echter tot op heden geen enkel bewijs voor gevonden.

Buitenplaatsen:

In de 17de eeuw ontstonden er buitenplaatsen in het Westland. Rijke burgers bouwden een huis op het platteland om de drukte van de stad te ontvluchten. Rondom die buitenplaatsen bevonden zich prachtige tuinen, waar niet alleen siergewassen maar ook groenten en fruit werden gekweekt. Hiervoor was veel tuinpersoneel nodig en daarom ziet men dit als het begin van de ontwikkeling van de tuinbouw in het Westland. Willem van der Pot, de eigenaar van buitenplaats Endeldijk in Honselersdijk, heeft eind 18de eeuw een gedeelte van zijn buitenplaats gesplitst in tuinbouwpercelen.Op elk perceel werd een woonhuis gebouwd, waarna het tuinbouwbedrijf in pacht werd uitgegeven. Deze 'Nieuwe Tuinen' kunnen aangemerkt worden als de eerste planmatige ontwikkeling van de Westlandse tuinbouw. In de Franse Tijd, omstreeks 1800, verdwijnen de buitenplaatsen en worden de landerijen, opgedeeld in kleine percelen, verkocht als tuinbouwgrond.

Huis Honselersdijk:

De grootste en belangrijkste buitenplaats was Huis Honselersdijk. Frederik Hendrik kocht het oude kasteel van de heren Van Naaldwijk in 1612 en transformeerde het tot een prachtig paleis met daaromheen een enorm tuincomplex. In deze tuinen, die o.a. zijn aangelegd door de bekende Nederlandse hovenier Jan van de Groen, werd geëxperimenteerd met exotische planten die door de VOC uit ‘de Oost’ (de Indische koloniën) werden meegebracht. Om deze planten tegen het moeilijke Nederlandse klimaat te beschermen gebruikte men gebouwen met veel glas, zoals Orangeriën, en constructies die al iets weg hadden van een kas. De bloeitijd van Honselersdijk was in de 17de eeuw. In de Franse Tijd (1795-1813) werd het Oranjebezit in beslag genomen en gebruikt als militair hospitaal en opleidingsinstituut. Hierdoor werd het complex volledig uitgewoond en raakte in verval, waarna het in 1815, met uitzondering van de Nederhof, gesloopt werd.

Tuinbouw:

Bij de opkomst van de steden ontstond er meer behoefte aan tuinbouwproducten, waarvoor de aanvoerlijnen kort moesten zijn. Het Westland beschikte over goede en snelle vaarverbindingen met de omliggende steden. Door de ligging aan zee was er in het Westland een klimaatvoordeel, waardoor de Westlandse tuinders hun oogst eerder op de markt konden brengen en men hogere prijzen voor de producten kreeg. Dit vervroegen van de oogst werd verder geperfectioneerd door het bouwen van kassen. De tuinbouw maakte vanaf 1920 een enorme groei door, waarbij vrijwel het gehele gebied volgebouwd werd met kassen. Zo ontstond de 'Glazen Stad'. In de periode van 1965 tot1975 begon men de Westlandse tuinbouw te moderniseren. Slecht bereikbare gebieden werden ontsloten door het dempen van vaarsloten en het aanleggen van nieuwe wegen en de werkzaamheden werden geautomatiseerd.

Teelten:

De eerste grootschalige teelt was die van aardappelen en dan met name de vroege aardappelen, die geëxporteerd werden naar Engeland. Door geknoei met kwaliteit en kwantiteit en later concurrentie van Malta en de Kanaaleilanden ging deze handel op Engeland verloren. Op de zandgronden bij Monster en 's-Gravenzande ging men daarna asperges en bloembollen telen. De 's-Gravenzandse asperges waren zeer gewild.

Van 1850 tot 1940 was de druif het belangrijkste Westlandse product dat in de kassen werd gekweekt. In de beeldvorming naar het publiek toe stond het Westland dan ook synoniem voor 'druivenland'. Na de Tweede Wereldoorlog werd de tomaat het belangrijkste product op de voet gevolgd door de komkommer.De bloementeelt kwam op als bijteelt van bloembollen, maar werd pas na de oorlog van betekenis. Nu is de omzet van bloemen en planten twee keer zogroot als de groenten- en fruitteelt.

Veilingen:

De tuinder bracht zijn groenten en fruit zelf naar de markt om ze te verkopen. Ook werkte men samen met groentehandelaars of opkopers. Dit was omslachtig en niet altijd betrouwbaar omdat de handelaars wel eens knoeiden met de kwaliteit en kwantiteit. In 1889 werd daarom een veilingvereniging Westland opgericht, die al snel in alle dorpen een vestiging had. De veiling werkte met een keurmerk, waardoor het vertrouwen van de afnemers werd hersteld. Door een centrale aanvoer op de veilingen ontstond er door het systeem van vraag en aanbod een eerlijke marktprijs. Om de markt te beschermen werkte men met minimumprijzen. Als die niet gehaald werden, werd het product uit de markt genomen. Dit systeem bracht welvaart voor de tuinder en heeft ruim honderd jaar goed gefunctioneerd. Door veranderingen in de markt werkt men nu meer op contractbasis in telersorganisaties, die direct aan grote afnemers leveren.

Kassenbouw:

Door het klimaatvoordeel in het Westland waren producten daar eerder te oogsten, wat hogere prijzen opleverde. De oogst werd verder vervroegd door het gebruik van tuinmuren, waardoor de tuinproducten beschut werden tegen de zeewind en profijt hadden van de opslag van zonnewarmte in die muren. Dit werd nog verbeterd door in het voorjaar ramen voor de ontluikende bomen te zetten. Uit deze voorzetramen ontwikkelde zich al snel een muurkas, waarin vooral de druiven erg goed groeiden en veel eerder geoogst konden worden. Uit de muurkas ontstond de tweezijdige kas, waarbij de muur werd weggelaten en de specifieke druivenkas ontstond. Een aparte ontwikkeling was die van platglas voor laaggroeiende planten. Hieruit is in het begin van de 20ste eeuw het warenhuis ontstaan, waarbij het platglas omhoog gebracht werd en er één grote glazen gebouw ontstond. Dit is nog steeds het basistype van de glastuinbouw.

Transport:

In vroeger tijd vond het transport van tuinbouwproducten vrijwel uitsluitend per schip plaats. Hiervoor was een specifiek model schuit ontwikkeld, de'Westlander'. Dit was een veilige en snelle manier om de kwetsbare groenten en fruit naar de stedelijke markten te vervoeren. Hiervoor was het noodzakelijk dat de tuinderijen en later ook de veilingen, aan goed vaarwater lagen. Op het eind van de 19de eeuw werd de WSM spoorlijn aangelegd en nu konden de tuinbouwproducten ook naar verder weg liggende Nederlandse steden en het buitenland vervoerd worden. Hierdoor groeide de export naar Duitsland enorm en daardoor kwam de Westlandse tuinbouw tot grote bloei. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het wegtransport tot ontwikkeling.De vrachtwagen werd al snel zó belangrijk dat in de jaren 1960 het vervoer per schuit en spoor verdween. Sloten werden gedempt en nieuwe wegen aangelegd. Ook in poldergebieden, die onbereikbaar waren voor transport per schuit, konden nu tuinderijen worden gesticht.