Start

Museum

Rondleiding Museum 

Historische Tuin

Informatie centrum

Bibliotheek

Blad Streekhistorie

Collectie_ansichtkaarten

Winkel

Tentoonstelling             

Nieuws

Links

Eerste tuin

 


1 Museum en parkeerplaats  6 Bessenhoek 13 A-kas
2 Begin van de wandeling  7 Rachelschuur 14 Ketelhuis
3 Tuindersschuur  8 Tuinmuur 15 Kniekas
4 Oude tuin zoals in ±1650   9 Lessenaar 16 Ramen warenhuis
5 Boomgaard 10 Kopkas 17 Plat glas
11 Kwakeltje 18 Verhoogd pad
12 Watertoren       naar uitgang

 

HISTORISCHE TUIN

Boogbrug

Boogbruggen zijn er in diverse soorten en uitvoeringen, waarbij de typen in hout of beton met ijzeren leuningen de meest voorkomende waren. De welving van de brugvloer was zo gekozen, dat ook een wat hoger geladen schuit er gemakkelijk onderdoor kon varen.
Om de boogbrug wat gemakkelijker begaanbaar te maken voor voetgangers, vooral als ze een fiets meevoerden waren de hellende delen van traplatjes voorzien.


De tuindersschuur

De houten schuur is geteerd en bedekt met rode oud-Hollandse dakpannen. Als men naar de toegangsdeur loopt kijkt men vlak voor de deur naar boven en ziet dan in de nok van de schuur de bel hangen. Hiermee kon men het 'werkvolk' dat in de tuin bezig was roepen als de 'schaft' ('t nuttigen van het van huis meegenomen brood) is aangebroken. De bel werd tevens gebruikt om begin- en eindtijd van het werk aan te geven. histuinschuur2.jpg (68115 bytes)

Was op de tuin geen tuinderswoning, dan was het gebruikelijk, dat er een grote schuur met een 'schaftkeet' was. Op de historische tuin bevindt deze zich achterin de schuur. Verder kan men verschillende werktuigen zien die nodig zijn op de tuin: kruiwagens, berries, emmers, gieters en dergelijke. Ook zijn de diverse sorteerapparaten te zien, bijvoorbeeld voor tomaten. Door de brede schuifdeur kon de tuinder zijn producten naar de schuit brengen.
De zuidkant van de schuur is de warmste kant en die werd in vroeger dagen niet ongebruikt gelaten. Hier zien we dan ook peren groeien van het ras 'Doyenn‚ du Comice'.
Direct rechts van de schuur is de tuin aangelegd zoals rond 1650 groenten geteeld werden op een buitenplaats, bijvoorbeeld die van Frederik Hendrik in Honselersdijk. Glasklokken en een broeibak tonen hier de eerste teelten onder glas.


Houten schutting

Er zijn twee soorten houten schuttingen geweest: een met rabat-delen en 'gepotdekselde' schuttingen. De hoogte van schuttingen varieerde van 1.75m tot 2m. Door het ontbreken van conserveringsmiddelen hadden de houten schuttingen niet zo'n lange levensduur. 'Teren', (insmeren met teer of carbolineum) gaf verbrandingsverschijnselen aan het gewas, daarom werden ze wit geverfd met kalk. De houten schuttingen beplantte men met peren als leiboom.


Boomgaard

Het volgende vak is bestemd als boomgaard voor hoogstam-appels Schone van Boskoop, sterappels e.a. op een sterke onderstam. De boomgaard is aangelegd aan de hand van oude inventarislijsten. Zo is er een rekening uit 1602 bewaard gebleven, waarin Johannes Fenacolius, dominee in 't Woudt, een opgave doet van allerhande fruitbomen, die hij in zijn tuin aldaar had aangeplant.


Bessenhoek

Tussen de appelbomen staat zacht fruit: rode en witte bessen, kruisbessen, bramen en frambozen, eventueel met een onderteelt van aardbeien. Grote hoeveelheden bramen en frambozen zijn in het Westland nooit geteeld; ze waren meer bedoeld voor 'eigen eet', (bestemd voor consumptie binnen het eigen gezin of de naaste familie).


Rachelschuur

In plaats van broei- of schietramen werden tegen nachtvorst ook wel rietmatten voor de uitlopende druiven geplaatst. Overdag en in de vorstvrije maanden van het jaar vonden de rietmatten een droog plaatsje in de rachelschuur. Een rachelschuur is een houten schuurtje met een pannendak, direct achter de muur om niet te ver te hoeven sjouwen met de vrij zware rietmatten. De planken sloten niet aaneen, maar lieten telkens evenveel tussenruimte als de planken breed waren, zodat de wind vrij spel had om alle rietmatten, houten voorwerpen en manden droog te maken en te houden. Bovendien was het een geschikte ruimte voor het drogen van bijvoorbeeld peulvruchten.


Stenen muur

Hoewel aanvankelijk in het Westland alle muren glasloos waren, is op deze tuin slechts ‚‚n muur te vinden, waarbij dat het geval is. Alle muren waren halfsteens. Om aan een vlakke voorzijde te komen waren de muren aan de achterzijde voorzien van steunberen. Dit was opmerkelijk, omdat het uit die hoek het meest en ook het hardst kon waaien. Om omwaaien te voorkomen konden aan de voorkant schoorbalken geplaatst worden, waartoe in de muur bij het opmetselen reeds voorzieningen waren getroffen in de vorm van schuingerichte inkepingen. Voor de bouw van de muur was ook meestal de afspraak gemaakt, dat de kosten van heropbouw ten gevolge van omwaaien voor rekening van de bouwer waren. Tegen het inregenen van de muur was de bovenzijde afgedekt met een liggende of staande rollaag en pannen. De brede steunberen, eveneens halfsteens en recht naar boven lopend, waren ook voorzien van pannen. De meeste muren hadden aan het einde nog een ronding, de zogenaamde vleugel.

In de holle steunberen werd soms vlees gerookt en ook werden niet meer in gebruik zijnde of stukgegane voorwerpen weggewerkt. Van tijd tot tijd komen daar dan de aardbeipotjes, gewichten, rood-aarden geglazuurde perenpotten, stenen vergieten, brillen, sleutels enzovoort te voorschijn. Ter verhoging van de luwende werking waren achter veel muren elzen geplant, ook wel eens een enkele peer, meestal het Winterlouwtje, die een goed gevulde kroon had. De voorkeur ging uit naar elzen, omdat die door een symbiose met een straalzwam de beschikking hebben over een eigen stikstofvoorziening en dus niet concurreren met de andere gewassen. Bij elkaar was deze windkering 4 meter hoog; geen wonder dat aan de luwe, warme zijde een optimaal micro-klimaat ontstond voor de teelt van vroege en fijne fruit- en groentesoorten.

Voor deze muren werden perziken, peren, pruimen en abrikozen geteeld. Aan een druivenmuur werden dus niet alleen druiven geteeld.


Aspergehoek

In het 'rabat' voor deze muur is een hoek asperges ('sparries') aangelegd.
Asperges kwamen al vroeg in het Westland voor, zelfs al in de Gouden Eeuw. In een contract van 1683, waarin de aanleg van de tuin Musschenheul op de grens van Poeldijk en Monster werd geregeld, was reeds sprake van een aspergehoek en inderdaad is dit veld met asperges bij Kruikius (blad 2) zeer wel terug te vinden.
In de 16e eeuw had het Regulierenklooster van 's-Gravenzande in zijn pachtcontracten reeds bepalingen opgenomen ten aanzien van de aspergeteelt. De aspergeteelt heeft zich aan het einde van de 19e eeuw en de eerst decennia van de 20e eeuw niet kunnen handhaven.


Muur met schietramen

Met 'schietramen' worden de ramen bedoeld, waarin, binnen een zware lijst, drie of vier houten roeden bevestigd zijn met daartussen een aantal kleine ruiten, wel zo'n 4 of 5x5 stuks. De afmeting van het totaal is 1.30 bij 1.90 meter.
'Schietramen' danken hun naam aan het feit, dat ze ergens voorgeschoten, voorgezet werden, bijvoorbeeld voor een muur met druiven. De onderkant van de ramen rustte om wegrotten te voorkomen, op wat losse stenen, soms ook wel op een gestapeld of een gemetseld laag stenen muurtje.
Bovenaan werden ze door een klamp, die aan de muur was bevestigd, op enige afstand daarvan gehouden, waardoor voldoende luchtcirculatie mogelijk was.
Om omvallen of wegwaaien te voorkomen waren de schietramen met panlatten aan de muur vastgemaakt.
De bedoeling van de schietramen was de oogst te vervroegen en veilig te stellen tegen nachtvorst, regen en windschade.


Muur met lessenaar

Wie het eerst op het idee gekomen is zal wel altijd een raadsel blijven, maar naar alle waarschijnlijkheid bestonden de eerste muurkasjes uit schietramen, die op een wat hoger opgetrokken muurtje waren neergelegd in een veel schuinere stand. Op dezelfde wijze als dat reeds gebeurde in een broeiraam zullen daarna de ruiten bevestigd zijn in een vast dek.
Oude foto's laten een grote verscheidenheid in modellen zien. In de vaste muurkassen werden vooral druiven geteeld.

Naast lessenaars met houten roeden kwamen ook al modellen voor met ijzeren roeden, ze waren onverwoestbaar omdat ze gemaakt waren van 'gestaald' ijzer, dat o.a. door de Duitse firma Krupp werd geleverd.


Muur met kopkas

In de eerste muurkassen was de binnenruimte beperkt. Men zocht en vond een verbeterde versie, de 'kopkas'. Talloze modellen hebben er bestaan, want elke bouwer had zijn eigen plan, terwijl de wensen van de tuinder en de hoogte van de reeds bestaande muur ook een woordje meegesproken zullen hebben. Voor het bouwen van een kopkas werd de glaswand opgetrokken tot boven de muur en dan met een wand van een of twee ruiten hoog op de muur bevestigd. Bij gebruik van ‚‚n ruit sprak men van een enkele kopkas; een dubbele kopkas had twee ruiten boven de muur.

Oude muurkassen hadden bijna altijd buitenluchting. Met lange ijzers werden de luchtramen aan de koude zijde op de gewenste hoogte opengezet. Opwaaien tijdens storm kwam door die constructie niet voor. Bij de latere binnenluchting, waarbij de luchtramen aan de warme zijde zaten, maakte men eerst gebruik van scharen, die echter vrij vaak uitstaken in de beperkte kasruimte. Dit euvel verdween toen de scharende beweging werd omgezet in een rollende door de ontwikkeling van de 'glijbaan'. Daarbij kwam nog het voordeel dat het mechaniek aan de buitenzijde van de kas bij de deur veel gemakkelijker bediend kon worden. Alle luchtramen gingen zo gelijktijdig open of dicht.
De kopkas, gebouwd tegen een muur met brede (holle) steunberen -in tegenstelling tot de muur met de lessenaar die smalle (massieve) steunberen heeft- kan beplant worden met komkommers of meloenen.


Varkensschuur

Op veel tuinen waren varkensschuren met binnen de hokken voor nachtverblijf en buiten een 'loop'. Daar lagen ook de mestputten, want varkens werden gehouden voor de mest. Grotere aantallen varkens werden wel gehouden samen met de meelleverancier.
Achter de varkensschuur tegen de muur is een plaatsje vrijgehouden voor de takkenschelf(t), waarin het kap- en snoeihout gebundeld werd opgeslagen om daarna als brandhout benut te worden voor bijvoorbeeld het waterfornuis.


Kwakeltje

In het Westland bevonden zich talloze bruggetjes over de vele vaarsloten, in de smalle paadjes tussen de dorpen en ook wel om van de ene tuin op de andere te komen. De meeste bruggetjes, kwakeltjes genoemd zijn intussen verdwenen en daarom is er een geplaatst over de tussensloot.
Een kwakeltje bestaat uit twee schuine opritten, rustend op jukken, en daartussen een vrij zware loopplank met een enkele houten leuning; de plank lag los of kon aan ‚‚n kant scharnieren, waardoor plank en leuning omhoog gebracht konden worden. Hoewel het kwakeltje vrij hoog boven het water lag, was het soms nodig het te lichten voor een schuit, die wel hoog was opgetast, maar door de aard van de lading niet zo diep in het water lag. Een bekend voorbeeld daarvan waren de schuiten geladen met hooi, dat van de slootkanten werd gehaald.

Tweede tuin