|
Start
Museum
Rondleiding Museum
Historische Tuin
Informatie centrum
Bibliotheek
Blad Streekhistorie

Collectie_ansichtkaarten
Winkel
Tentoonstelling
Nieuws
Links
| |
Eerste tuin
HISTORISCHE TUIN
Boogbrug
Boogbruggen zijn er in diverse soorten en uitvoeringen, waarbij de typen in hout
of beton met ijzeren leuningen de meest voorkomende waren. De welving van de
brugvloer was zo gekozen, dat ook een wat hoger geladen schuit er gemakkelijk
onderdoor kon varen.
Om de boogbrug wat gemakkelijker begaanbaar te maken voor voetgangers, vooral
als ze een fiets meevoerden waren de hellende delen van traplatjes voorzien.
De tuindersschuur
|
De houten schuur is geteerd en bedekt met rode oud-Hollandse dakpannen. Als men
naar de toegangsdeur loopt kijkt men vlak voor de deur naar boven en ziet dan in
de nok van de schuur de bel hangen. Hiermee kon men het 'werkvolk' dat in de
tuin bezig was roepen als de 'schaft' ('t nuttigen van het van huis meegenomen
brood) is aangebroken. De bel werd tevens gebruikt om begin- en eindtijd van het
werk aan te geven.
|
 |
Was op de tuin geen tuinderswoning, dan was het gebruikelijk, dat er een grote
schuur met een 'schaftkeet' was. Op de historische tuin bevindt deze zich
achterin de schuur. Verder kan men verschillende werktuigen zien die nodig zijn
op de tuin: kruiwagens, berries, emmers, gieters en dergelijke. Ook zijn de
diverse sorteerapparaten te zien, bijvoorbeeld voor tomaten. Door de brede
schuifdeur kon de tuinder zijn producten naar de schuit brengen.
De zuidkant van de schuur is de warmste kant en die werd in vroeger dagen niet
ongebruikt gelaten. Hier zien we dan ook peren groeien van het ras 'Doyenn‚ du
Comice'.
Direct rechts van de schuur is de tuin aangelegd zoals rond 1650 groenten
geteeld werden op een buitenplaats, bijvoorbeeld die van Frederik Hendrik in
Honselersdijk. Glasklokken en een broeibak tonen hier de eerste teelten onder
glas.
Houten schutting
Er zijn twee soorten houten schuttingen geweest: een met rabat-delen en 'gepotdekselde'
schuttingen. De hoogte van schuttingen varieerde van 1.75m tot 2m. Door het
ontbreken van conserveringsmiddelen hadden de houten schuttingen niet zo'n lange
levensduur. 'Teren', (insmeren met teer of carbolineum) gaf
verbrandingsverschijnselen aan het gewas, daarom werden ze wit geverfd met kalk.
De houten schuttingen beplantte men met peren als leiboom.
Boomgaard
Het volgende vak is bestemd als boomgaard voor hoogstam-appels Schone van
Boskoop, sterappels e.a. op een sterke onderstam. De boomgaard is aangelegd aan
de hand van oude inventarislijsten. Zo is er een rekening uit 1602 bewaard
gebleven, waarin Johannes Fenacolius, dominee in 't Woudt, een opgave doet van
allerhande fruitbomen, die hij in zijn tuin aldaar had aangeplant.
Bessenhoek
Tussen de appelbomen staat zacht fruit: rode en witte bessen, kruisbessen,
bramen en frambozen, eventueel met een onderteelt van aardbeien. Grote
hoeveelheden bramen en frambozen zijn in het Westland nooit geteeld; ze waren
meer bedoeld voor 'eigen eet', (bestemd voor consumptie binnen het eigen gezin
of de naaste familie).
Rachelschuur
In plaats van broei- of schietramen werden tegen nachtvorst ook wel rietmatten
voor de uitlopende druiven geplaatst. Overdag en in de vorstvrije maanden van
het jaar vonden de rietmatten een droog plaatsje in de rachelschuur. Een
rachelschuur is een houten schuurtje met een pannendak, direct achter de muur om
niet te ver te hoeven sjouwen met de vrij zware rietmatten. De planken sloten
niet aaneen, maar lieten telkens evenveel tussenruimte als de planken breed
waren, zodat de wind vrij spel had om alle rietmatten, houten voorwerpen en
manden droog te maken en te houden. Bovendien was het een geschikte ruimte voor
het drogen van bijvoorbeeld peulvruchten.
Stenen muur
Hoewel aanvankelijk in het Westland alle muren glasloos waren, is op deze tuin
slechts ‚‚n muur te vinden, waarbij dat het geval is. Alle muren waren
halfsteens. Om aan een vlakke voorzijde te komen waren de muren aan de
achterzijde voorzien van steunberen. Dit was opmerkelijk, omdat het uit die hoek
het meest en ook het hardst kon waaien. Om omwaaien te voorkomen konden aan de
voorkant schoorbalken geplaatst worden, waartoe in de muur bij het opmetselen
reeds voorzieningen waren getroffen in de vorm van schuingerichte inkepingen.
Voor de bouw van de muur was ook meestal de afspraak gemaakt, dat de kosten van
heropbouw ten gevolge van omwaaien voor rekening van de bouwer waren. Tegen het
inregenen van de muur was de bovenzijde afgedekt met een liggende of staande
rollaag en pannen. De brede steunberen, eveneens halfsteens en recht naar boven
lopend, waren ook voorzien van pannen. De meeste muren hadden aan het einde nog
een ronding, de zogenaamde vleugel.
In de holle steunberen werd soms vlees gerookt en ook werden niet meer in
gebruik zijnde of stukgegane voorwerpen weggewerkt. Van tijd tot tijd komen daar
dan de aardbeipotjes, gewichten, rood-aarden geglazuurde perenpotten, stenen
vergieten, brillen, sleutels enzovoort te voorschijn. Ter verhoging van de
luwende werking waren achter veel muren elzen geplant, ook wel eens een enkele
peer, meestal het Winterlouwtje, die een goed gevulde kroon had. De voorkeur
ging uit naar elzen, omdat die door een symbiose met een straalzwam de
beschikking hebben over een eigen stikstofvoorziening en dus niet concurreren
met de andere gewassen. Bij elkaar was deze windkering 4 meter hoog; geen wonder
dat aan de luwe, warme zijde een optimaal micro-klimaat ontstond voor de teelt
van vroege en fijne fruit- en groentesoorten.
Voor deze muren werden perziken, peren, pruimen en abrikozen geteeld. Aan een
druivenmuur werden dus niet alleen druiven geteeld.
Aspergehoek
In het 'rabat' voor deze muur is een hoek asperges ('sparries') aangelegd.
Asperges kwamen al vroeg in het Westland voor, zelfs al in de Gouden Eeuw. In
een contract van 1683, waarin de aanleg van de tuin Musschenheul op de grens van
Poeldijk en Monster werd geregeld, was reeds sprake van een aspergehoek en
inderdaad is dit veld met asperges bij Kruikius (blad 2) zeer wel terug te
vinden.
In de 16e eeuw had het Regulierenklooster van 's-Gravenzande in zijn
pachtcontracten reeds bepalingen opgenomen ten aanzien van de aspergeteelt. De
aspergeteelt heeft zich aan het einde van de 19e eeuw en de eerst decennia van
de 20e eeuw niet kunnen handhaven.
Muur met schietramen
Met 'schietramen' worden de ramen bedoeld, waarin, binnen een zware lijst, drie
of vier houten roeden bevestigd zijn met daartussen een aantal kleine ruiten,
wel zo'n 4 of 5x5 stuks. De afmeting van het totaal is 1.30 bij 1.90 meter.
'Schietramen' danken hun naam aan het feit, dat ze ergens voorgeschoten,
voorgezet werden, bijvoorbeeld voor een muur met druiven. De onderkant van de
ramen rustte om wegrotten te voorkomen, op wat losse stenen, soms ook wel op een
gestapeld of een gemetseld laag stenen muurtje.
Bovenaan werden ze door een klamp, die aan de muur was bevestigd, op enige
afstand daarvan gehouden, waardoor voldoende luchtcirculatie mogelijk was.
Om omvallen of wegwaaien te voorkomen waren de schietramen met panlatten aan de
muur vastgemaakt.
De bedoeling van de schietramen was de oogst te vervroegen en veilig te stellen
tegen nachtvorst, regen en windschade.
Muur met lessenaar
Wie het eerst op het idee gekomen is zal wel altijd een raadsel blijven, maar
naar alle waarschijnlijkheid bestonden de eerste muurkasjes uit schietramen, die
op een wat hoger opgetrokken muurtje waren neergelegd in een veel schuinere
stand. Op dezelfde wijze als dat reeds gebeurde in een broeiraam zullen daarna
de ruiten bevestigd zijn in een vast dek.
Oude foto's laten een grote verscheidenheid in modellen zien. In de vaste
muurkassen werden vooral druiven geteeld.
Naast lessenaars met houten roeden kwamen ook al modellen voor met ijzeren
roeden, ze waren onverwoestbaar omdat ze gemaakt waren van 'gestaald' ijzer, dat
o.a. door de Duitse firma Krupp werd geleverd.
Muur met kopkas
In de eerste muurkassen was de binnenruimte beperkt. Men zocht en vond een
verbeterde versie, de 'kopkas'. Talloze modellen hebben er bestaan, want elke
bouwer had zijn eigen plan, terwijl de wensen van de tuinder en de hoogte van de
reeds bestaande muur ook een woordje meegesproken zullen hebben. Voor het bouwen
van een kopkas werd de glaswand opgetrokken tot boven de muur en dan met een
wand van een of twee ruiten hoog op de muur bevestigd. Bij gebruik van ‚‚n
ruit sprak men van een enkele kopkas; een dubbele kopkas had twee ruiten boven
de muur.
Oude muurkassen hadden bijna altijd buitenluchting. Met lange ijzers werden de
luchtramen aan de koude zijde op de gewenste hoogte opengezet. Opwaaien tijdens
storm kwam door die constructie niet voor. Bij de latere binnenluchting, waarbij
de luchtramen aan de warme zijde zaten, maakte men eerst gebruik van scharen,
die echter vrij vaak uitstaken in de beperkte kasruimte. Dit euvel verdween toen
de scharende beweging werd omgezet in een rollende door de ontwikkeling van de
'glijbaan'. Daarbij kwam nog het voordeel dat het mechaniek aan de buitenzijde
van de kas bij de deur veel gemakkelijker bediend kon worden. Alle luchtramen
gingen zo gelijktijdig open of dicht.
De kopkas, gebouwd tegen een muur met brede (holle) steunberen -in tegenstelling
tot de muur met de lessenaar die smalle (massieve) steunberen heeft- kan beplant
worden met komkommers of meloenen.
Varkensschuur
Op veel tuinen waren varkensschuren met binnen de hokken voor nachtverblijf en
buiten een 'loop'. Daar lagen ook de mestputten, want varkens werden gehouden
voor de mest. Grotere aantallen varkens werden wel gehouden samen met de
meelleverancier.
Achter de varkensschuur tegen de muur is een plaatsje vrijgehouden voor de
takkenschelf(t), waarin het kap- en snoeihout gebundeld werd opgeslagen om
daarna als brandhout benut te worden voor bijvoorbeeld het waterfornuis.
Kwakeltje
In het Westland bevonden zich talloze bruggetjes over de vele vaarsloten, in de
smalle paadjes tussen de dorpen en ook wel om van de ene tuin op de andere te
komen. De meeste bruggetjes, kwakeltjes genoemd zijn intussen verdwenen en
daarom is er een geplaatst over de tussensloot.
Een kwakeltje bestaat uit twee schuine opritten, rustend op jukken, en
daartussen een vrij zware loopplank met een enkele houten leuning; de plank lag
los of kon aan ‚‚n kant scharnieren, waardoor plank en leuning omhoog
gebracht konden worden. Hoewel het kwakeltje vrij hoog boven het water lag, was
het soms nodig het te lichten voor een schuit, die wel hoog was opgetast, maar
door de aard van de lading niet zo diep in het water lag. Een bekend voorbeeld
daarvan waren de schuiten geladen met hooi, dat van de slootkanten werd gehaald.
Tweede tuin
|